BUITENLEVEN | De bloemetjes en de bijtjes

Planten bloeien maar om één reden, namelijk hun eigen voortplanting. De bloeiperiode van een plant is niets anders dan de bronsttijd bij dieren, dat wil zeggen gericht op het verwekken van nakomelingen.

De beroemde Zweedse wetenschapper Linnaeus was de eerste die inzag dat ook planten seksuele wezens zijn die zich net als alle andere levensvormen voortplanten. In zijn tijd was dat ongehoord. Planten werden algemeen gezien als de meest pure schepselen, en die hielden zich niet bezig met dergelijke platvloersheden.

Indeling op basis van seksuele kenmerken

Toch maakte Linnaeus de seksuele kenmerken van planten tot de basis van zijn geniale indelingssysteem. Deze kenmerken zijn voor elke plantenfamilie uniek en dus bruikbaar als indeling. Hij herkende in bloemen mannelijke geslachtsorganen in de vorm van meeldraden en helmknoppen die mannelijke voortplantingscellen (stuifmeel) produceren. Daarnaast zag hij ook de vrouwelijke delen, vruchtbeginsel, stijl en stempel (samen ook wel stamper genoemd) en trok daaruit een parallel met de voortplanting bij dieren. Mensen liet hij buiten beschouwing, dat ging zelfs Linnaeus te ver.

Zijn criticasters gaf hij weerwoord door een erwtachtige klimplant als Clitoria ternateate beschrijven

Dit alles leverde hem de spot van zijn puriteinse tijdgenoten op die hem afdeden als een ‘gedegenereerde pervert’. Linnaeus, recalcitrant als hij was, liet dat niet over zijn kant gaan en gaf zijn criticasters weerwoord met de beschrijving van een erwtachtige klimplant onder de Latijnse naam Clitoria ternatea.

De eerste planten die zich door geslachtelijke vereniging voortplantten, vertrouwden op de hulp van de elementen. Zij lieten hun stuifmeel door de wind of het water meevoeren in de hoop dat een klein deel een vrouwelijke bloem zou bereiken om dan haar eicellen te bevruchten. Relatief primitieve planten als paardenstaarten, mossen en coniferen doen dat nog steeds. Maar ook modernere plantensoorten als dennen, elzen en wilgen hebben zich aan de wind aangepast.

Voortplanting door bestuiving en dieren

Om de wind vrij spel te geven, bloeien de meeste windbestuivers op kaal hout (zoals de katjes van wilgen en elzen) of aan het uiteinde van ranke en flexibele stelen (grassen). Door het wuiven van graan kan het stuifmeel vrijelijk tussen alle bloeiende planten bewegen en is de bestuiving bijna 100 procent. Veel waterplanten zoals het fonteinkruid laten hun stuifmeel in pakketjes los die als mini-zeilbootjes net zolang rondvaren totdat ze een veilige haven (vrouwelijke bloem) vinden, of schipbreuk lijden.

Planten kunnen ook dieren inschakelen als hulpjes bij hun voortplanting. In onze streken zijn dat vaak insecten, maar ook vogels, vleermuizen en reptielen bieden wereldwijd hun diensten aan. Er zijn planten die daarvoor betalen met ruime porties nectar (zoals bijvoorbeeld de kamperfoelie) of juist met stank voor dank. Dat laatste lijkt geen goede reclame, maar werkt voor tal van plantenfamilies wonderwel.

Aronskelken bootsen in geur en vaak ook in kleur een kadaver na, waarop vliegen en kevers in groten getale afkomen. Vijgen gaan nog een stap verder. Zij lokken wespen aan die zich met zoveel geweld door de nauwe opening in de bloem persen dat ze vaak hun vleugels verliezen. Eenmaal binnen bestuiven ze de bloemen met het eigen stuifmeel, maar de wespen herkrijgen hun vrijheid niet en sterven in de jonge vijg. Liefde overwint alles, althans voor de vijg.

Dit artikel is geschreven door Brian Kabbes. 
Brian is Noordelijk kweker van botanische rariteiten.

Meer laden